Elk punt bevindt zich temidden van andere punten die in ruimte en tijd bestaan, zij
onderscheiden zich van elkaar door hun relatieve positie. De relatieve positie van een
punt in ruimte en tijd wordt weergegeven door haar coördinaten, het punt vertegenwoordigt
zowel singulariteit (singulus = met unieke aard, enig
of weergaloos) als coördinatie (co = samen- of neven-,
ordinare = ordenen of -schikken, nevengeschikt, dus gelijkwaardig) met andere
singulariteiten die samen de omgevingswereld vormen.
- De relatie van coördinatieve eenheid is de relatieve positie van een uniek
punt in ruimte, tijd en beweging, op uitdrukkelijk deze globe in dit zonnestelsel, in ons
geval de Aarde.
Vanuit de oorspronkelijke positie van het punt kunnen meerdere oriëntatie- of
referentiepunten worden vastgesteld, te weten: een als standaard toepasbaar
achtergrondpatroon en een aantal in de loop van de tijd en met regelmaat tegen die
achtergrond verschuivende referentiepunten - zie de
koppelingen hieronder.
De aardse constructie: de kalenderdatum wordt omgerekend naar het Juliaanse nummer van de
dag en de standaardtijd op de Greenwich-meridiaan. Van daaruit wordt de Plaatselijke Tijd
berekend: het MC, de top van de Zuid-Noord as, geeft de draaiing van de aarde, de
plaatselijke tijd, weer. Vervolgens wordt de plaatselijke horizon vastgelegd: de Ascendant
vertegenwoordigt de positie van het punt in de ruimte. Door de koppeling van het kader, de
processtructuur met zijn golfbeweging in de fasen, aan
de Ascendant wordt deze de aanduider van het beginpunt van dit proces in ruimte en tijd.
Als de MC-IC as en de oriëntatiepunten zijn geplaatst is het unieke patroon
/ gezichtspunt karakteristiek voor dit ontwikkelingsproces vastgelegd in de symmetriën van de cirkel. De cyclische structuur van het
proces maakt zowel herhaling mogelijk als terugkoppeling noodzakelijk; in de tijdruimte
tussen twee cycli kan zich interactie vanuit een ander
proces, in feite actuele coördinatie (opm. 9), aandienen.
De relatie van coördinatieve eenheid is zodoende, op dit macroscopisch niveau (waar
procesen meer dan een cyclus omvatten), aangevuld met de drie structurele relaties
- met hun eigen plaats tegen de achtergrond - binnen de cirkelvorm van het proces:
- De Ascendant - Descendant as is de relatie van wisselwerking van de eigen
innerlijke ruimte en tijd met de omgeving.
Het is de horizon die de cirkel in twee helften deelt. Het onderste deel omvat de
capaciteiten voor de omgang met zichzelf, het bovenste deel omvat de capaciteiten om met
het andere, de omgeving, om te gaan. De as vertegenwoordigt flexibiliteit en openheid in
onbestendige omgevingen.
- De MC-IC as is de relatie van richting in de omgeving.
De as vertegenwoordigt de aanwending van de eigen innerlijke ruimte en tijd, de expressie
van de eigen identiteit, in de omgeving.
- De referentiepunten vormen samen de relatie van identiteit die zich historisch
en ruimtelijk ontwikkelt.
Samen met de beide assen vertegenwoordigen zij de uniciteit van het proces.
Koppelingen naar
een individueel systeem met een uniek coördinatenstelsel - structuur
#9/3,
zie figuren en animaties in :
structuur #9/3,
zie figuren en animaties in :
structuur #13/4 en zijn extra pagina's -1-, -2-, -3-.
^
Een netwerk binnen een genest netwerk
Uit de relatie van coördinatieve eenheid, de universele
relatie, vloeien voort: B t/m E, vier groepen van structurele relaties tussen onderdelen van het proces; F
t/m N, negen groepen van functionele relaties
tussen twee of meer oriëntatiepunten, waarvan M en N twee groepen van relaties van relatieve beweging tussen functies zijn.
Functies kunnen interfereren met andere functies (potentialiteiten). Het effect van de interferentie wordt bepaald door de relatieve posities in ruimte
en tijd en door de duur (meer exact: het aantal interacties of cycli). Interferentie vindt
plaats zowel binnen het proces, dat is in onderlinge functionaliteit van de functies
binnen het netwerk, als met processen in de
buitenwereld. De interactie tussen verschillende processen vindt plaats als interferentie
tussen potentialiteiten.
|
^
Structurele samenhang; vier groepen van relaties in de structuur
- De relatie die tot stand is gekomen door de plaatsing van de Ascendant en zijn kader van
de fasenstructuur op de achtergrond met referentiepunten is het structurele patroon.
De achtergrond is, net als de fasenstructuur, verdeeld in twaalf gelijke delen met
verschillend karakter die de werkwijzen van de referentiepunten aangeven.
De twaalf relaties van patroon of gezichtspunt zijn:
- het patroon van triviaal begin, het kader begint in het eerste deel van de
achtergrond,
- het patroon van eigen waarde, het kader begint in het 2e deel van de
achtergrond,
- het patroon van onderscheiden, het kader begint in het 3e deel van de
achtergrond,
- het patroon van stabiliteit, het kader begint in het 4e deel van de
achtergrond,
- het patroon van eigenheid en spel, het kader begint in het 5e deel van de
achtergrond,
- het patroon van functioneren, het kader begint in het 6e deel van de
achtergrond,
- het patroon van interactie, het kader begint in het 7e deel van de achtergrond,
- het patroon van afwijzing, het kader begint in het 8e deel van de achtergrond,
- het patroon van uitbreiding, het kader begint in het 9e deel van de
achtergrond,
- het patroon van autonomie, het kader begint in het 10e deel van de achtergrond,
- het patroon van verscheidenheid, het kader begint in het 11e deel van de
achtergrond,
- het patroon van overgave, het kader begint in het 12e deel van de achtergrond.
- In de tweede groep, de relaties tussen twee opeenvolgende segmenten van 30 graden, de
fasen van de cirkel, bevindt het eigene zich naast het andere in de omgeving, en
omgekeerd. De fasen dragen de voortstuwende golfbeweging van het proces, daarin
ondersteund door de eveneens voortstuwende verschillen in de achtergrond.
De twaalf relaties van contrast:
- het contrast van opdracht met triviaal begin,
- het contrast van begin met belang,
- het contrast van waarde met beweeglijke kennis,
- het contrast van onderscheid met stabiliteit,
- het contrast van voorwaarden met essentie/spel,
- het contrast van overzicht met functioneren,
- het contrast van capaciteit met aanvulling,
- het contrast van interactie met afwijzing,
- het contrast van keuze met toeëigening,
- het contrast van ideaal met beperkingen,
- het contrast van grenzen met acceptatie,
- het contrast van ontwikkeling met overgave aan de opdracht.
- In de derde groep, de assen van opposities of tegendelen, bevinden twee segmenten zich
tegenover elkaar op een afstand van 180 graden. In deze as-relaties wordt de ruimtelijke
pool gecomplementeerd door het temporele uiterste, of omgekeerd, en wordt het eigene geconfronteerd
met of gespiegeld door het andere/de omgeving. De polariteit die zij
vertegenwoordigen benadrukt bovendien de cyclische eigenschap van de structuur.
De zes as-relaties van tegendelen of symmetriën:
- - 7. de as van contact met de omgeving verbindt triviaal begin met aanvulling,
- - 8. de as van innerlijke waarden verbindt eigen belangen met afwijzing,
- - 9. de as van verschil in de omgeving verbindt beweeglijke kennis met
uitbreiding,
- - 10. de as van innerlijke stabiliteit verbindt voorwaarden met grenzen,
- - 11. de as van de plaats in de groep verbindt individualiteit met diversiteit,
- - 12. de as van innerlijke eenheid verbindt functioneren met overgave aan de
opdracht.
- De relaties van gelijkenis berusten op de analogie tussen de eigenschappen van
de onderdelen van de processtructuur, de achtergrond, en de functies. Zo vertoont een
bepaalde fase (werkgebied) overeenkomst met een bepaald deel van de achtergrond
(werkwijze) en met een bepaalde functie (instrument):
- actueel beginnen: initiëringsfase, energie-achtergrond, activeerfunctie,
- de waarde: referentiefase, belangenachtergrond, aandachtfunctie,
- soepelheid: kennisfase, onderscheidingsachtergrond, relateerfunctie,
- de voorwaarde: houvastfase, bindingenachtergrond, stabiliteitfunctie,
- intimiteit & spelen: toetsingsfase, overzichtsachtergrond,
zelfbeheerfunctie,
- de capaciteit: werkfase, nuttigheidsachtergrond, analyseerfunctie,
- aantrekking: aanvullingsfase, harmoniseringsachtergrond, interactiefunctie,
- het afwijzen: verzetfase, keuzenachtergrond, verwijderfunctie,
- toeëigenen: verkenningsfase, idealiseringsachtergrond,
uitbreidingsfunctie,
- de autonomie: begrenzingsfase, anticiperingsachtergrond, consistentiefunctie,
- ontwikkeling: acceptatiefase, contextenachtergrond, samenlevingsfunctie,
- de opdracht: overgavefase, assimilatie-achtergrond, integreerfunctie.
Koppeling naar
de stuwkracht in de golfbeweging van afwisselende contrasten in een proces - structuur #16/5.
^
Functionele samenhang; zeven groepen van relaties tussen potentialiteiten
Om de zeven groepen van relaties te realiseren zijn telkens ten minste twee
oriëntatiepunten of functies nodig. Een functie beschikt niet alleen over de eigen
dynamiek (zie onder E), maar tevens over de dynamiek die voortkomt uit de fase en het deel
van de achtergrond waarin zij zich bevindt. De functies (oriëntatiepunten) realiseren
samen de totaalfunctie van het individuele proces.
De beschrijving van deze relaties berust op de structurele onderdelen in het betrokken
beginpatroon (zie: B); de functies voegen daaraan nog mogelijkheden toe (bijv. hun
relaties met andere functies) die uiteraard meer individueel zijn.
N.B. Enkele van de volgende omschrijvingen zijn nog voorlopig. In het elfde deel van de
themalijn zal ik de relaties I, H met J en G met K nog verder onderzoeken. Zie de
koppeling hieronder.
- De samenvoegende relatie
verenigt twee of meer functies die zich op zeer korte afstand van elkaar bevinden, meestal
binnen eenzelfde werkgebied en met dezelfde werkwijze. De relaties tussen werkgebieden en
werkwijzen zijn beschreven onder B: de beginpatronen.
De conjunctie leidt tot één functie met een zodanig gemengd karakter dat de
samenstellende potentialiteiten niet of moeilijk te onderscheiden zijn.
- De twaalf contrasterende
relaties met een soepel vloeiend karakter, beschreven onder C, kunnen eveneens
worden geactiveerd als ze door ten minste twee functies verbonden zijn.
- de twaalf half-sexten tussen 1 en 2, 2 en 3, 3 en 4, en zo verder tot en met 11 en 12.
De verbindingen van 30(6) graden vullen de onder K genoemde emanciperende relaties van
150(6) / 210(6) graden aan.
- De twee maal zes dimensie toevoegende
relaties met een ontspannen aanvullend karakter brengen een verbinding tot stand
tussen de ruimte- en de tijdpolen van of de innerlijke wereld of de omgevingswereld. Ook
hier is het karakter van fasen en dat van werkwijzen gecombineerd, afhankelijk van de
combinatie in het beginpatroon (zie: B).
- de zes sextielen van innerlijke ruimte
en tijd:
- het 2-4 sextiel van belang met stabiliteit,
- het 4-6 sextiel van voorwaarden met functioneren,
- het 6-8 sextiel van capaciteiten met afwijzing,
- het 8-10 sextiel van keuze met beperkingen,
- het 10-12 sextiel van grenzen met overgave,
- het 12-2 sextiel van opdracht met waarde.
- de zes sextielen van omgevingsruimte
en -tijd:
- het 1-3 sextiel van begin met beweeglijke kennis,
- het 3-5 sextiel van onderscheid met essentie/spel,
- het 5-7 sextiel van overzicht met aanvulling,
- het 7-9 sextiel van interactie met uitbreiding,
- het 9-11 sextiel van ideaal met verscheidenheid,
- het 11-1 sextiel van samenleving met triviaal begin.
Deze verbindingen van 60(6) graden zijn complementair met de onder J. genoemde
specialiserende relaties van 120(6) graden.
- De drie groepen van dialectische
relaties met een sterk dynamisch karakter verbinden de vier structurele
onderdelen: innerlijke ruimte, innerlijke tijd, omgevingsruimte en omgevingstijd. De
onderdelen staan haaks op elkaar, op een afstand van 90(6) graden. Het karakter van fasen
en dat van werkwijzen is gecombineerd, afhankelijk van de combinatie in het beginpatroon
(zie: B).
- de vier hypothetische vierkantrelaties van aanwezigheid
en gegeven feit.
Twee symmetriën, de as van contact met de omgeving kan worden verbonden met
de as van innerlijke stabiliteit, via
- het 1-4 vierkant van begin en stabiliteit,
- het 4-7 vierkant van voorwaarden en aanvulling,
- het 7-10 vierkant van interactie en beperkingen,
- het 10-1 vierkant van grenzen en triviaal begin.
- de vier antithetische vierkantrelaties van verschillen
waarnemen.
Twee symmetriën, de as van innerlijke waarden kan worden verbonden met
de as van de plaats in de groep, via
- het 2-5 vierkant van waarde en spel,
- het 5-8 vierkant van eigenheid en afwijzing,
- het 8-11 vierkant van keuze en verscheidenheid,
- het 11-2 vierkant van samenleving en eigen belang.
- de vier synthetische vierkantrelaties van zoeken naar
een oplossing.
Twee symmetriën, de as van verschil in de omgeving kan worden verbonden met
de as van innerlijke eenheid, via
- het 3-6 vierkant van onderscheiden en functioneren,
- het 6-9 vierkant van capaciteit en uitbreiding,
- het 9-12 vierkant van ideaal en overgave aan de opdracht,
- het 12-3 vierkant van opdracht en beweeglijke kennis.
De verbindingen van 90(6) graden kunnen andere relaties, bv de onder D. en L. genoemde
actief confronterende relaties van 180(6) graden, aanvullen en daarmee in feite
versterken.
- De vier groepen van specialiserende
relaties met een vanzelfsprekend en zelf-versterkend karakter verenigen tenminste
twee van de drie dialectische aspecten (hypo)these, antithese en synthese, terwijl zij
zich op eenzelfde manier op eenzelfde type werkgebied richten. Het karakter van fasen en
dat van werkwijzen is gecombineerd, afhankelijk van het gegeven beginpatroon (zie: B).
De onderdelen zijn verbonden als de zijden van een gelijkzijdige driehoek op een afstand
van 120(6) graden:
- de drie driehoekrelaties van fysieke zekerheid.
De relaties van de innerlijke ruimte
in staat van subjectiviteit
- de 4-8 driehoek van voorwaarden en afwijzing,
- de 8-12 driehoek van keuze en overgave aan de opdracht,
- de 12-4 driehoek van opdracht en stabiliteit.
- de drie driehoekrelaties van innerlijke samenhang.
De relaties van de innerlijke tijd
in geschiedenis, actualiteit en wording
- de 10-2 driehoek van beperkingen en belang,
- de 2-6 driehoek van waarde en functioneren,
- de 6-10 driehoek van capaciteit en grenzen.
- de drie driehoekrelaties van fysieke aanwezigheid.
De relaties van de contextuele ruimte
in onbestendigheid en verwikkeling
- de 1-5 driehoek van begin en spel,
- de 5-9 driehoek van overzicht en uitbreiding,
- de 9-1 driehoek van ideaal en triviaal begin.
- de drie driehoekrelaties van sociale communicatie.
De relaties van de contextuele tijd
in situaties van objectief verschil
- de 7-11 driehoek van interactie en verscheidenheid,
- de 11-3 driehoek van samenleving en beweeglijke kennis,
- de 3-7 driehoek van onderscheid en aanvulling.
- De twaalf overbruggende
relaties met een vergelijkend of emanciperend karakter brengen een verbinding tot
stand tussen de vier structurele onderdelen: enerzijds een polariteit van de eigen
innerlijke ruimte en tijd, anderzijds een naastliggende polariteit van de ruimte en tijd
van de context. Zo verenigen twee of meer functies een as van tegendelen of symmetriën (D
and L) via aanvulling, tegenwicht of verschuiving van perspectief met het private dan wel
met het maatschappelijke in een naastliggende as. Dit is in feite een beweging naar een
asymmetrie, een mogelijkheid om een starre symmetrie te doorbreken. Het karakter van fasen
en van werkwijzen is gecombineerd, afhankelijk van het gegeven beginpatroon (zie: B).
Zo kan een verbinding van of 150(6) of 210(6) graden, aangevuld bij voorbeeld met een
complementaire relatie van contrast (C and G) van 30(6) graden, de extremiteiten van de
oppositie (L) met een tweede, naastliggende, relatie van 180(6) graden (D) cyclisch
relativeren, harmoniseren of transformeren:
- het 1-6 inconjunct van begin en functioneren,
- het 6-11 inconjunct van capaciteit en verscheidenheid,
- het 11-4 inconjunct van samenleving en stabiliteit,
- het 4-9 inconjunct van voorwaarden en uitbreiding,
- het 9-2 inconjunct van ideaal en belang,
- het 2-7 inconjunct van waarde en aanvulling,
- het 7-12 inconjunct van interactie en overgave aan de opdracht,
- het 12-5 inconjunct van opdracht en uitdaging,
- het 5-10 inconjunct van overzicht en grenzen,
- het 10-3 inconjunct van beperkingen en beweeglijke kennis,
- het 3-8 inconjunct van onderscheid en afwijzing,
- het 8-1 inconjunct van keuze en mandaat;
of van 210(6) graden, in omgekeerde richting:
- het 1-8 inconjunct van begin en afwijzing,
- het 8-3 inconjunct van keuze en beweeglijke kennis,
- het 3-10 inconjunct van onderscheid en grenzen,
- het 10-5 inconjunct van beperkingen en uitdaging,
- het 5-12 inconjunct van overzicht en overgave aan de opdracht,
- het 12-7 inconjunct van opdracht en aanvulling,
- het 7-2 inconjunct van interactie en belang,
- het 2-9 inconjunct van waarde en uitbreiding,
- het 9-4 inconjunct van ideaal en stabiliteit,
- het 4-11 inconjunct van voorwaarden en verscheidenheid,
- het 11-6 inconjunct van samenleving en functioneren,
- het 6-1 inconjunct van capaciteit en mandaat.
- De zes confronterende relaties
van tegendelen of symmetriën beschreven onder D ontwikkelen, als ze samen worden gebracht
door verbindingen tussen twee of meer functies met een afstand van 180(6) graden, een min
of meer polariserend en complementerend karakter. Het karakter van fasen en dat
van werkwijzen is als altijd gecombineerd, afhankelijk van het gegeven beginpatroon (zie:
B).
- de 1-7 oppositie van begin met aanvulling,
- de 2-8 oppositie van waarde met afwijzing,
- de 3-9 oppositie van onderscheiden met uitbreiding,
- de 4-10 oppositie van stabiliteit met beperkingen,
- de 5-11 oppositie van identiteit met verscheidenheid,
- de 6-12 oppositie van capaciteit met overgave aan de opdracht.
|
^ Beperkingen,
vraagtekens en andere aanvullende opmerkingen
Via het enkele punt van contact met de actuele omgeving genereert een proces zowel
opeenvolgende ontwikkelingscycli als nieuwe gebeurtenissen die beide hun specifieke doel
en karakter verkrijgen van de actuele bewegende wereld van ruimte en tijd. Een proces
bevindt zich dus, met zijn unieke eigenschappen in allerhande verwikkelingen, tussen zijn
eigen onbekende voorwaarden op weg naar de ontwikkeling van zijn eigen onbekende doel,
zijn functie voor de omgeving die ook een cyclisch proces is. In die situatie kunnen
zekerheden niet zó zeker zijn. Enkele voorbeelden:
- De nauwkeurige vaststelling van de relatieve positie van het unieke punt in ruimte en
tijd hangt af van de nauwkeurigheid van de vastgestelde plaats en tijd van beginnen. In
geval van twijfel zijn zij - door omkering van de werkwijze, dat is door bevraging - in
principe reconstrueerbaar.
- De plaats van de oriëntatiepunten kent variatie in de breedte. Het effect hiervan op
het functioneren als karakteristieke eigenschap van een proces zal niet groot zijn maar is
wel een vraagpunt.
- De relatie tussen Ascendant en MC duidt de schuine stand van de aarde aan die samenhangt
met de tijd van het jaar, dus de relatie tussen de aardse plaatselijke horizon en de Zon.
Boven de poolcirkels is die relatie uiteraard heel bijzonder. In de winter verdwijnt daar
de Zon enige tijd onder de horizon, de Ascendant - Descendantlijn. Het MC, de aanduider
van de tijd (om 12 uur Plaatselijke Tijd samenvallend met de Zon), verdwijnt gedurende een
periode ook beneden de horizon. In het andere uiterste, als 's zomers de Zon steeds
zichtbaar blijft en het MC eveneens, kan het MC het hoogste punt van de Zon wel blijven
aangeven. Maar ook dit zou vragen oproepen.
- Als gevolg van de schuine stand van de aarde is de voortgang van de Ascendant door de
sterretekens niet gelijkmatig. Op het noordelijk halfrond duurt de voortgang door Ram en
Vissen korter dan door de overige tekens, terwijl deze op het zuidelijk halfrond juist
langzamer gaat dan door de overige. Bijgevolg zouden er op het zuidelijk halfrond veel
meer processen met de Ascendant in Ram of Vissen voor moeten komen dan benoorden de
equinox.
Het fenomeen van het gebruik van ruimte en tijd binnen de afzonderlijke fasen is een van
de kenmerkende trekken van de individualiteit van het proces. De details zijn mij (nog)
niet helemaal duidelijk.
- Alle relaties tussen functies van een proces zijn glijdende schalen, alle andere
factoren bepalen altijd mee het karakter van die ene eigenschap. De pure vorm van een
eigenschap, haar potentialiteit, is in de praktijk niet met zekerheid vast te stellen, op
zijn best statistisch of intuïtief te benaderen. Om deze redenen kan een algemene
omschrijving nooit meer dan een aanvechtbare benadering zijn.
- Per definitie ontwikkelen potentialiteiten van een proces, de unieke combinatie van
functies, zich in de loop van de tijd tot individuele eigenschappen.
- Cycliciteit moet zowel openheid (discontinuïteit), autonomie (continuïteit) met de
omgeving, terugkoppeling en de niveauwisselingen binnen het proces zelf garanderen.
Cyclische openheid: de omgeving heeft (op zowel macro- als microschaal) toegang tot
gebeurtenissen die het proces genereert, de wereld of het proces 'tijdgeest' beïnvloedt
daar en dan het actuele doel (zie de laatste koppeling hieronder).
- Bij direct contact tussen twee processen kan interactie plaatsvinden tussen een of meer
functies van beiden. De voorwaarde is dat beiderzijds een of meer functies zich op
plaatsen (op de achtergrond) bevinden waartussen een van de types van functionele relatie
doenlijk is. Relaties tussen processen zijn actief als en voor zover functies tussen
beiden kunnen interfereren.
- De actuele coördinerende interactie betreffende de overeenkomst
van een macroproces met zijn omgeving (A de relatie van coördinatieve
eenheid) die plaatsvindt op on-, onder- en voorbewuste niveaus, gebeurt fysisch - naar
ik aanneem - op (microscopisch) kwantumniveau via niet-plaatsgebonden verstrengeling.
Op macroniveau verloopt de informatie uit die interactie dan verder in een of twee
innerlijke stappen:
- fysiek, vanuit de ontstane emotie - via de drie relaties van subjectieve zekerheid (J-1) - naar een fysieke reactie (zonder woorden),
- interpretatief, afhankelijk van de situatie van innerlijke (in)stabiliteit - via de drie
relaties van consistentie en verantwoordelijkheid (J-2) - naar
interpretatie en de mogelijkheid om zich te uiten (voorafgaand aan interactie in een
context).
- Inzicht in het eigen doel of bestemming vereist nauwkeurige studie van de geschiedenis
van de eigen voorwaarden en capaciteiten.
- Het aantal van alle mogelijke relaties is vele malen groter dan hier aangeboden (ik denk
bijvoorbeeld aan functies die niet dezelfde werkwijze gebruiken als de fase waarin zij
zich bevinden); voor een zinvol overzicht was het nodig grenzen te stellen.
Koppelingen naar
Gebeurtenissen coördinerend verbonden in ruimte en tijd - structuur
#13/4,
Coördinatie, drie families of groepen van relaties - structuur
#26/8,
Proces en context, context als systeem - structuur #29/9,
'Afhankelijk temidden van wisselende doelen' - thema #30/9,
Ontwikkeling en grenzen van processen in interactie - structuur
#33/A.
|